Nieuwsberichten

Vlaamse land- en tuinbouwsector steeds innovatiever

18 november 2013

 

Op basis van een enquête omtrent het innovatief karakter van de Vlaamse land- en tuinbouwbedrijven, afgenomen in 2012 bij deelnemers van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LNM), kunnen net zoals in 2007 een aantal conclusies geformuleerd worden. Iets meer dan de helft van de bedrijfsleiders innoveerden de afgelopen 5 jaar op hun bedrijf. Verder bleek dat voornamelijk grote bedrijven en bedrijven met jonge, hoger opgeleide bedrijfsleiders vaker innovatieve projecten opstarten. Indien men de cijfers per land- en tuinbouwsector bekijkt, blijkt dat de tuinbouwsector, en dan voornamelijk de sierteelt, het meest innovatief ingesteld is.


Het begrip innovatie werd in het kader van dit onderzoek zeer ruim bekeken. Zo werd er niet enkel gekeken naar volledig nieuwe zaken, maar eveneens naar aanpassingen die nieuw zijn voor het desbetreffende bedrijf. In het leeuwendeel van de cases ontstaat het idee voor verbetering uit eigen ervaring, maar wordt er samengewerkt met leveranciers of constructeurs voor de daadwerkelijke implementatie.


Innovatie wordt bekeken als een middel om bepaalde doestellingen te bereiken en is bijgevolg geen doel op zich. Zo denkt men onder andere aan economische ontwikkeling, waaronder voornamelijk een hoger inkomen genereren, besparing op arbeid en kosten door middel van automatisatie en mechanisatie begrepen worden. Verder zijn maatschappelijke uitdagingen en beperkte natuurlijke hulpbronnen goede motivaties om te innoveren. Hieronder vallen onder andere infrastructuurverbetering om te voldoen aan wettelijke verplichtingen, alsook aanpassingen om de kwaliteit van het eindproduct of een beter dierenwelzijn en een kleinere milieu-impact te garanderen.


Algemeen blijkt uit de resultaten van 2012 dat 52% van de bedrijven de laatste 5 jaar vernieuwingen doorgevoerd heeft. Als de resultaten van de vorige bevraging in 2007 meegenomen worden dan komt naar voor dat 22% zowel in 2007 als in 2012 positief antwoordde op de vraag of er nieuwigheden geïmplementeerd werden op het bedrijf. 40% gaf op één van beide enquêtes aan innovaties aangebracht te hebben, waarbij er een stijgende tendens waargenomen wordt. De overige bedrijven (38%) innoveerden niet gedurende beide periodes.


Innovaties worden in de enquête in verschillende categorieën opgesplitst, afhankelijk van de doorgevoerde nieuwigheden. Men spreekt van “productinnovaties” indien nieuwe producten geïntroduceerd worden of er aan bestaande producten significante verbeteringen aangebracht worden. Aanpassingen aan het productieproces of de leveringsmethode worden geklasseerd onder “procesinnovaties”. Onder de noemer “organisatorische innovaties” worden alle veranderingen met oog op een betere werkkwaliteit, efficiëntiegraad of informatie-inwinning begrepen. Indien de overige innovatieve projecten niet behoren tot de zogenaamde “vermarktingsinnovaties”, worden deze geclassificeerd onder “andere innovaties”. Op basis van deze onderverdeling kan men analyseren welke innovaties het vaakst doorgevoerd worden en/of de grootte van het bedrijf en de ouderdom van de bedrijfsleider invloed heeft op het gekozen type innovatie.


Algemeen stelt men vast dat voornamelijk geopteerd wordt voor procesinnovaties, gevolgd door organisatorische innovaties en innovatieve projecten met oog op een verbeterde of andere marketingstrategie. Er kon echter een duidelijk onderscheid gemaakt worden afhankelijk van de leeftijd en scholingsgraad van de bedrijfsleider. Zo blijkt dat grotere bedrijven en bedrijven van jongere en hoger opgeleide bedrijfsleiders vaker kiezen voor procesinnovaties en organisatorische wijzigingen. Bovendien worden bij dergelijke bedrijven ook vaker combinaties van verschillende nieuwigheden opgetekend. Deze keuzes gaan eveneens gepaard met een grotere financiële inbreng, waardoor deze bedrijven vaker een (grotere) lening lopen hebben of op VLIF-steun rekenen. Hierdoor is de solvabiliteit (eigen financiële middelen ten opzichte van totaal beschikbare middelen) van desbetreffende bedrijven veelal lager. Het mag duidelijk zijn dat innovaties gepaard gaan met investeringen en de daaraan gekoppelde risico’s. Oudere bedrijfsleiders zijn verhoudingsgewijs minder innoverend aangelegd en indien innovaties doorgevoerd worden, wordt vaker gekozen voor vermarktings- en productinnovaties. De implementering hiervan heeft vaak een - relatief gezien - kleiner kostenplaatje en uit de cijfers blijkt dat deze kosten voornamelijk met eigen middelen gefinancierd worden. Opmerkelijk is het feit dat in de meest recente enquête geen statistisch onderscheid gevonden werd tussen bedrijven met een oudere bedrijfsleider met of zonder zekerheid van opvolging. Uit de resultaten van 2007 bleken bedrijven met een toekomstig nieuw bewind innovatiever aangelegd.


Uiteraard zijn innovaties eveneens sectorgebonden, zo blijkt de tuinbouwsector met als koploper de sierteeltsector meer geïnteresseerd in nieuwigheden. Akkerbouw en gemengde bedrijven sluiten het rijtje af als zijnde minst innovatief.


Er was op de enquête eveneens ruimte voorzien om aan te geven waar de eventuele struikelblokken zich bevinden. Opnieuw blijkt dit zeer sectorafhankelijk, maar over het algemeen werden de onzekere markt (47%), tijdsgebrek (37%), wetgeving (32%) en beperkte financiële middelen (30%) aangeduid als vaak voorkomende knelpunten. In het kader hiervan wordt er volgens de enquête vaker samengewerkt tussen verschillende collega-landbouwers.


Bron : Vlaamse overheid, departement Landbouw en Visserij.

terug naar overzicht